dinsdag 30 november 2010

Standaarden, opbrengsten en onderwijsbehoeften

Een standaard wordt omschreven als een expliciete norm waar een vastgesteld deel van de leerlingen aan moet voldoen. In het voorgaande blogbericht is daar een voorbeeld van gegeven (gebaseerd op methodetoetsen). Het denken in termen van standaarden is een niet te stuiten ontwikkeling in het onderwijs. De referentieniveaus (www.taalenrekenen.nl) zijn hiervan een uitstekend voorbeeld. Maar ook het denken in de standaarden minimum-90%, voldoende-75% en gevorderd-25%, zoals de onderwijsraad voorstelt zijn dat. Datagestuurd en opbrengstgericht onderwijs is pas goed vorm te geven als er vanuit standaarden wordt geredeneerd. Standaarden zijn dan ook de basis van het Onderwijscontinuüm CED-Groep® (www.onderwijscontinuüm.nl). De niveau-indelingen die CITO hanteert zijn standaarden. Je kunt zeggen: in mijn school streven we er naar dat minimaal 75% van de leerlingen het C-niveau (of: niveau IV) behaalt. Hoe hangt dit denken nu samen met het redeneren vanuit onderwijsbehoeften?

Een onderwijsbehoefte bestaat uit twee delen: een doel plus dat wat er nodig is om dat doel te realiseren. Het streven naar een bepaald percentage leerlingen dat aan een standaard voldoet is een doel. Als dit percentage nu onder het streven van de school ligt, dan betekent dit dat er voor de leerlingen - kunstmatig, maar noodzakelijk - extra onderwijsbehoeften worden gecreëerd. Bijvoorbeeld: behoefte aan meer effectieve leertijd, meer positieve feedback en directe instructie. Het onderwijsaanbod wordt dan geïntensiveerd. Hiermee is de kans (fors) groter dat we aan het streefpercentage van de door de school gestelde CITO-norm gaan voldoen.

Hogere opbrengsten nastreven hangt dus altijd direct samen met de onderwijsbehoeften van een groep leerlingen.


2 reacties:

Michiel van Dijck zei

Onderwijsbehoeften gaat verder dan bepalen wat bij een leerling op basis van een gestelde norm of doel gerealiseerd moet worden.
Dit zijn slechts de normatieve aspecten.

De summatieve aspecten bieden kansen om meer aan te sluiten op de intrinsieke behoeften en mogelijkheden van een kind. Door rekening te houden met leerstijl, tempo, interesse en competenties van het kind is meer richting aan de ontwikkeling van het kind te geven. Zeker wanneer deze besproken worden met het kind.

Onderwijsbehoeften moeten dus niet enkel vanuit het perspectief van de leerkracht ingevuld worden, maar ook vanuit het perspectief van de leerling. De wisselwerking tussen deze twee bepaalt voor een belangrijk deel de mate van succes.

Michiel van Dijck,
BCO-onderwijsadvies Venlo.

Wijnand Gijzen zei

Beste Michiel,
Ik ben het grotendeels met je eens. De leerling met zijn eigen perspectief mag in de 1-zorgroute niet worden vergeten. Door de focus op het verhogen van opbrengsten blijft deze wel eens (wat) achterwege in alle beschouwingen. In mijn visie is onderwijs per definitie intentioneel van aard; in ons land bepalen wij met z'n allen wat een leerling moet leren (en wat niet). Het primaat van het 'wat' ligt wat mij betreft dan ook voornamelijk bij de beroepsopvoeder. Op het 'hoe' heeft de leerling naar mijn idee zeker ook invloed. Deze invloed neemt toe naarmate de leerling ouder wordt.
Wijnand Gijzen.