De middenmoot is het deel van de groep waar een leraar zijn onderwijs automatisch (en vaak onbewust) op richt. Dit principe heet de Wet van Posthumus. Met de middenmoot als referentie zegt hij: 'dit zijn mijn betere leerlingen' en 'dit zijn mijn minder goede leerlingen'. Hij heeft het dus over respectievelijk de bovenste 25% en de onderste 25% van zijn groep.
Het expliciet maken van de middenmoot is van grote waarde bij het sturen op opbrengsten. Ten eerste maakt het vergelijking mogelijk met de landelijke middenmoot (of met de middenmoot van de specifieke scholengroep). Ten tweede is de middenmoot de basis van waaruit op opbrengsten gestuurd wordt. Moet deze omhoog, dan beïnvloedt dat (als de school convergent differentieert) ook de resultaten van de leerlingen die hierbuiten vallen. Ten derde geeft de middenmoot aan waar het merendeel van de leerlingen na het afronden van de school naar toe uitstroomt (voor het basisonderwijs is dat een VO-type). En tot slot: de middenmoot is feitelijk de groep leerlingen zónder specifieke onderwijsbehoeften. Het aanbod is voor deze groep vaak aansluitend (omdat dit de referentie van de leraar is).
Mocht het zo zijn de middenmoot omhoog moet, dan betekent dit dat het doel voor deze groep leerlingen verhoogd wordt en er dus méér voor nodig is om daar uit te komen. Er worden dan als het ware extra onderwijsbehoeften gecreëerd: meer instructietijd, meer leertijd, etc. We spreken in dat geval van een intensivering van het onderwijsaanbod.