De overeenkomsten tussen leerlingen kun je bepalen door te kijken de grootste gemene deler van een school. We hebben het dan over de meest voorkomende kenmerken en onderwijsbehoeften van de leerlingen. Bijvoorbeeld: laag presterende leerlingen met een grote structuurbehoefte. Op deze kerngroep baseert een school haar basisaanbod waaromheen zij haar aanbod aan de hoger presterende leerlingen en haar aanbod aan de lager presterende leerlingen samenstelt. Hierdoor ontstaat een drieslag in het onderwijsaanbod dat voor het merendeel van de leerlingen passend is: een talentaanbod, een basisaanbod en een intensief aanbod. Elk van deze delen moet dan wél voldoende variatie in instructie en verwerking bevatten, zodat er voor elke leerling 'wat wils' is.
Hoe dan om te gaan met individuen? Om te beginnen maken we pas beleid op individuele leerlingen als dat ook écht nodig is. Hiervoor zijn drie criteria: de leerling maakt onvoldoende vaardigheidsgroei door, de leerling heeft een hiaat in de leerstofbeheersing of de leerling gedijt niet. Ten tweede gaan we altijd na of dat wat deze individuele leerling nodig heeft ook op meer leerlingen van toepassing is. In dat geval passen we het onderwijsaanbod structureel aan. Liever één centrale aanpak dan vijf individuele aanpakken die nét even van elkaar verschillen.
Om passend onderwijs te organiseren moeten we dus telkens kijken naar wat we groepsgewijs kunnen aanpakken. En alleen als het écht nodig is, maken we voor een leerling een aanpassing op een van de drie delen van het onderwijsaanbod.